BiologieBoost
Upgrade · 7 dagen gratis🔥 0

Hoofdstuk 8 · Theorie biologie vwo

Kenmerken van ecosystemen

Energie stroomt erdoorheen, stoffen gaan rond: hoe een ecosysteem in elkaar zit en waardoor het in beweging blijft.

Kleurrijk koraalrif met verschillende organismen onder water
Foto: Philippe WEICKMANN via Pexels. Gebruikt onder de Pexels-licentie; de foto dient als context en niet als biologisch schema.

Dit kun je uitleggen

  • Je kunt in een context energiestromen in een ecosysteem (modelmatig) beschrijven.
  • Je kunt in een context toelichten welke processen en organismen van invloed zijn op energiestromen in een ecosysteem.
  • Je kunt in een context uitleggen wat oorzaken en gevolgen zijn van verstoring van energiestromen in een ecosysteem.
  • Je kunt in een context beredeneren hoe de mens ecosystemen positief of negatief kan beïnvloeden met keuzes op het gebied van energiegebruik.
  • Je kunt in een context toelichten wat de rol is van producenten, consumenten en reducenten in kringlopen van elementen.
  • Je kunt in een context toelichten welke processen van invloed zijn op kringlopen van elementen in een ecosysteem.
  • Je kunt in een context uitleggen wat oorzaken en gevolgen zijn van verstoring van kringlopen.
  • Je kunt in een context beargumenteren hoe maatregelen van de mens kringlopen van elementen in een ecosysteem en daarmee het systeem Aarde beïnvloeden.

Zo hangt de stof samen

Volg in ecologische vragen stoffen en energie apart. Stoffen zoals koolstof en stikstof worden steeds opnieuw gebruikt in kringlopen. Energie komt binnen als licht, gaat via producenten en consumenten door het voedselweb en verlaat het systeem uiteindelijk als warmte.

01

Energiestroom door een ecosysteem

Energie gaat door een ecosysteem heen, niet rond. Producenten leggen zonne-energie vast in organische stof. Consumenten halen die energie eruit door te eten, reducenten door dode resten af te breken. Bij elke stap gaat een deel als warmte verloren.

De plaats van een organisme in die reeks heet het trofisch niveau, geteld vanaf de producent. Omdat er per stap maar een klein deel van de energie doorgaat, worden de niveaus snel smaller: dat is waarom een voedselketen zelden meer dan vier of vijf schakels telt.

Kernbegrippen

energiestroom
De weg die energie door een ecosysteem aflegt: binnen via de producenten, verder langs de trofische niveaus, en er als warmte weer uit. Anders dan stoffen komt energie niet terug.
producent
Organisme dat zelf organische stof maakt uit anorganische stof en zo de energie het ecosysteem in brengt.
consument
Organisme dat zijn organische stof uit andere organismen haalt; eerste orde eet planten, tweede orde eet die eters.
02

Wie legt de energie vast

Organismen verschillen in hoe ze aan hun organische stof komen. Foto-autotrofen maken die zelf met licht als energiebron; chemo-autotrofen doen hetzelfde, maar halen hun energie uit anorganische reacties. Heterotrofen kunnen het niet zelf en moeten het uit ander organisch materiaal halen.

De opbrengst druk je uit in productie. De bruto primaire productie is alles wat de producenten vastleggen; wat overblijft nadat zij hun eigen dissimilatie hebben betaald, is de netto primaire productie — en dat is wat er voor de rest van het ecosysteem beschikbaar komt. Productiviteit zet dat af tegen oppervlakte en tijd, zodat je gebieden kunt vergelijken.

Kernbegrippen

foto-autotroof
Maakt zelf organische stof met licht als energiebron, zoals planten, algen en blauwalgen.
chemo-autotroof
Maakt zelf organische stof met energie uit anorganische reacties in plaats van uit licht; bijvoorbeeld nitrificerende bacteriën.
heterotroof
Kan zelf geen organische stof maken en moet die uit ander organisch materiaal halen.
03

Verstoring van de energiestroom

Grijpt de mens in op een trofisch niveau, dan werkt dat door de hele keten. Overbevissing haalt schakels weg en laat de aantallen daaronder en daarboven verschuiven. Ontbossing haalt de vastlegging zelf weg: minder producenten betekent minder energie die het systeem in komt, en tegelijk minder koolstof die uit de lucht wordt gehaald.

Klimaatverandering werkt subtieler. Soorten verschuiven in ruimte en tijd, maar niet allemaal even snel, waardoor eter en gegetene uit de pas kunnen raken.

Kernbegrippen

effect van klimaatverandering
Verschuiving van temperatuur en neerslag verandert waar soorten kunnen leven en wanneer ze bloeien of trekken; wat samen hoorde, raakt uit de pas.
overbevissing
Meer vis wegvangen dan er bij komt, zodat de populatie krimpt en de voedselrelaties in het ecosysteem verschuiven.
ontbossing
Grootschalig verdwijnen van bos, waardoor vastlegging van koolstof en de leefruimte voor veel soorten wegvalt.
04

Energiekeuzes van de mens

Fossiele brandstof is organisch materiaal dat miljoenen jaren geleden is vastgelegd. Verbranden brengt die koolstof in enkele eeuwen terug in de lucht — een kringloop die daardoor niet meer sluit.

Biobrandstof gebruikt biomassa die kort geleden is gegroeid, zodat de vrijkomende koolstof net uit de lucht kwam. Daar staat tegenover dat de teelt grond, water en energie kost, en kan botsen met voedselproductie. De energietransitie is de verschuiving naar bronnen die zichzelf aanvullen; elke keuze daarin heeft gevolgen voor ecosystemen, positief of negatief.

Kernbegrippen

fossiele brandstof
Brandstof uit organisch materiaal dat miljoenen jaren geleden is vastgelegd; verbranden brengt die koolstof in korte tijd terug in de lucht.
biobrandstof
Brandstof uit recent gegroeide biomassa; de koolstof die vrijkomt is kort daarvoor uit de lucht gehaald, maar de teelt kost wel grond en energie.
biomassa
De totale massa aan organisch materiaal van de organismen in een gebied of op een trofisch niveau.
05

Kringlopen van elementen

Anders dan energie gaan stoffen wél rond. Een element doorloopt een kringloop en komt uiteindelijk weer terug bij het begin.

De drie groepen hebben elk hun rol. Producenten bouwen anorganische stof in tot organische stof, met fotosynthese als motor. Consumenten geven die stof door en breken een deel af bij hun dissimilatie. Reducenten sluiten de kring: zij breken dode resten en uitwerpselen af tot anorganische stof, waarmee de bouwstoffen weer beschikbaar komen. Zonder reducenten loopt elke kringloop binnen de kortste keren vast.

De koolstofkringloop en de stikstofkringloop zijn de twee die het examen het vaakst vraagt.

Kernbegrippen

kringloop
Weg die een element door een ecosysteem aflegt en waarbij het uiteindelijk weer bij het begin uitkomt — anders dan energie, die niet rondgaat.
fotosynthese
Vastleggen van koolstofdioxide en water tot glucose met licht als energiebron, waarbij zuurstof vrijkomt.
dissimilatie
Afbraak van organische stof waarbij energie vrijkomt voor de cel; aeroob levert het koolstofdioxide en water op.
06

Processen in de stikstofkringloop

Stikstofgas is verreweg de grootste voorraad stikstof, maar zo stabiel dat vrijwel geen organisme hem rechtstreeks kan gebruiken. De kringloop draait daarom om een reeks omzettingen, elk door hun eigen bacteriën.

Stikstofbinding maakt van stikstofgas een bruikbare vorm. Ammonificatie levert uit dode resten en uitwerpselen ammoniak en ammonium. Nitrificatie zet ammonium via nitriet om in nitraat, de vorm die planten het best opnemen — dat gebeurt aeroob. Denitrificatie doet het omgekeerde en brengt nitraat terug naar stikstofgas; dat gebeurt juist anaeroob, in natte, zuurstofarme bodems.

Ook methaan hoort in dit rijtje: het ontstaat bij afbraak zonder zuurstof en is een sterk broeikasgas.

Kernbegrippen

denitrificatie
Bacteriën zetten nitraat om in stikstofgas; daarmee verlaat stikstof de bodem en verdwijnt hij uit bereik van planten.
nitrificatie
Bacteriën zetten ammonium via nitriet om in nitraat, de vorm waarin planten stikstof het best opnemen.
ammonificatie
Reducenten breken stikstofhoudende resten en uitwerpselen af tot ammoniak en ammonium.
07

Verstoring van kringlopen

Komt er meer van een stof in het systeem dan de kringloop aankan, dan loopt het ergens over. Nitraat spoelt gemakkelijk uit naar grond- en oppervlaktewater, waar het niet meer bij de wortels komt maar wel de waterkwaliteit bepaalt.

Daar veroorzaakt het eutrofiëring: algen groeien hard, sterven af, en hun afbraak haalt het zuurstof uit het water — met vissterfte als gevolg. In de atmosfeer speelt hetzelfde met koolstof: broeikasgassen houden warmtestraling vast, wat op zichzelf normaal is en de aarde leefbaar maakt, maar bij een te hoge concentratie het klimaat verschuift.

Kernbegrippen

uitspoeling
Meespoelen van opgeloste voedingsstoffen met regenwater naar diepere lagen of naar het oppervlaktewater, waar ze niet meer bij de wortels komen.
eutrofiering
Overmaat aan voedingsstoffen in water; algen groeien hard, sterven af, en de afbraak daarvan haalt het zuurstof uit het water.
broeikaseffect
Gassen in de atmosfeer laten zonlicht door maar houden warmtestraling van de aarde vast; zonder dit effect zou de aarde te koud zijn, met te veel wordt hij te warm.
08

Kringlopen sluiten

Wat de mens doet, bepaalt of een kringloop open of gesloten blijft. Hergebruik houdt een product in omloop; recyclen brengt het materiaal terug tot grondstof en maakt er iets nieuws van. Allebei besparen ze grondstof, maar recyclen kost zelf ook energie.

De uitkomst laat zich aflezen aan de biodiversiteit. Blijven kringlopen open, dan hoopt zich aan de ene kant afval op en raakt aan de andere kant grondstof op, en dat gaat ten koste van de verscheidenheid aan soorten en ecosystemen.

Kernbegrippen

hergebruik
Een product of materiaal opnieuw inzetten in plaats van weggooien, zodat er minder nieuwe grondstof en energie nodig is.
recyclen
Materiaal terugbrengen tot grondstof en daar iets nieuws van maken; dat sluit de kringloop verder dan weggooien, maar kost wel energie.
gevolgen voor de biodiversiteit
Ingrepen in kringlopen en leefgebieden werken door in het aantal soorten en de variatie daarbinnen; verlies daarvan maakt een ecosysteem minder bestand tegen verstoring.
09

Wat een ecosysteem is

Een ecosysteem is een levensgemeenschap plus de niet-levende omgeving waarin die leeft, met alle wisselwerkingen daartussen. De grens die je trekt is een keuze: een sloot, een duingebied of de hele aarde.

Binnen dat systeem heeft elke soort een habitat — de plek waar hij leeft — en een niche: zijn rol, dus wat hij eet, waar hij zit en wat hij verdraagt. Twee soorten met precies dezelfde niche kunnen niet blijvend naast elkaar bestaan; een van beide verliest. De soortensamenstelling is de lijst van welke soorten er in welke verhouding voorkomen.

Kernbegrippen

ecosysteem
Een levensgemeenschap samen met de niet-levende omgeving waarin die leeft, en alle wisselwerkingen daartussen.
habitat
De plek waar een soort leeft, met de omstandigheden die die soort daar aantreft.
niche
De rol van een soort in het ecosysteem: wat hij eet, waar hij leeft en welke omstandigheden hij verdraagt. Twee soorten met dezelfde niche kunnen niet blijvend naast elkaar bestaan.
10

Biotische en abiotische factoren

De omstandigheden in een ecosysteem vallen in twee groepen. Abiotische factoren komen uit de niet-levende omgeving: temperatuur, licht, vocht, zuurgraad, wind. Biotische factoren komen van andere organismen: voedsel, vijanden, concurrenten, ziekteverwekkers.

Door verschillen daarin ziet een ecosysteem er in het ene gebied heel anders uit dan in het andere, ook al ligt het er vlakbij. Soorten met nauwe grenzen aan wat ze verdragen zijn daarom bruikbaar als indicatorsoort: hun aanwezigheid vertelt in één oogopslag iets over de toestand van het gebied.

Kernbegrippen

populatie
Voortplantingsgemeenschap: de individuen van één soort die in hetzelfde gebied leven en zich met elkaar kunnen voortplanten.
indicatorsoort
Soort met nauwe grenzen aan wat hij verdraagt; zijn aanwezigheid vertelt daardoor iets over de toestand van het gebied.
biotische factor
Invloed op een organisme die van andere organismen komt, zoals voedsel, vijanden, concurrenten of ziekteverwekkers.
11

Dynamiek in een ecosysteem

Aantallen in een ecosysteem staan nooit stil. De populatiegrootte verandert door geboorte, sterfte en migratie, en die drie samen maken de dynamiek.

Welke factor de zaak in de hand houdt, wisselt. Van elke factor heeft een soort een optimum en een tolerantiebereik; buiten dat bereik redt hij het niet. De beperkende factor is degene die op dat moment het verst van het optimum af zit — die bepaalt in zijn eentje hoe hard iets kan groeien, hoe gunstig de rest ook is. Op kleine schaal kan het microklimaat sterk afwijken van de omgeving, waardoor er onder een steen of in een bosrand heel andere soorten leven.

De eilandtheorie beschrijft hoe het aantal soorten in een geïsoleerd gebied uitkomt op een evenwicht tussen nieuwkomers en uitsterven.

Kernbegrippen

dynamiek
Het voortdurend heen en weer bewegen van aantallen in een ecosysteem, zonder dat het geheel meteen verandert.
geboorte
Aanwas van nieuwe individuen; samen met sterfte en migratie bepaalt dit hoe een populatie zich ontwikkelt.
sterfte
Verlies van individuen door ouderdom, ziekte, vijanden of gebrek.
12

Concurrentie

Concurrentie ontstaat zodra er van iets te weinig is: licht, voedsel, ruimte of partners. Binnen een soort is die strijd het hevigst, want alle individuen vragen precies hetzelfde.

Tussen soorten hangt het af van de overlap in niche. Hoe meer die overlappen, hoe scherper de concurrentie, en hoe groter de kans dat een van beide verdwijnt of uitwijkt naar een ander deel van het gebied. Zo houdt concurrentie de samenstelling van een ecosysteem mede in vorm.

Kernbegrippen

concurrentie
Strijd om iets waar te weinig van is — licht, voedsel, ruimte of partners — binnen één soort of tussen soorten.
13

De mens en de instandhouding

Een exoot is een soort die door toedoen van de mens buiten zijn oorspronkelijke gebied terechtkomt. Zonder de vijanden, concurrenten en ziekteverwekkers van thuis kan zo'n soort zich hard uitbreiden en inheemse soorten verdringen.

Natuurbeheer is de andere kant: bewust ingrijpen om een gebied in een bepaalde toestand te houden of te krijgen, bijvoorbeeld met begrazing, maaien of plaggen. Vaak betekent dat de successie tegenhouden, omdat juist een vroege fase de soorten herbergt die je wilt behouden.

Kernbegrippen

exoot
Soort die door de mens buiten zijn oorspronkelijke gebied terechtkomt; zonder natuurlijke vijanden kan hij inheemse soorten verdringen.
natuurbeheer
Bewust ingrijpen om een gebied in een gewenste toestand te houden of te brengen, bijvoorbeeld door begrazing, maaien of plaggen.
14

Successie

Een kale plek blijft niet kaal. In een vaste volgorde nemen levensgemeenschappen elkaars plaats in, en elke fase verandert de omstandigheden voor de volgende — dat is successie.

Pioniersoorten komen als eerste: ze verdragen zware omstandigheden en maken de bodem geschikt voor soorten die minder kunnen hebben. Uiteindelijk ontstaat een climaxecosysteem, waarin de samenstelling niet wezenlijk meer verandert zolang de omstandigheden gelijk blijven. In Nederland zou dat vrijwel overal bos zijn.

Kernbegrippen

successie
Geleidelijke opvolging van levensgemeenschappen op dezelfde plek, waarbij elke fase de omstandigheden verandert voor de volgende.
pioniersoort
Soort die als eerste een kale plek koloniseert; verdraagt zware omstandigheden en maakt de plek geschikt voor soorten die daarna komen.
climaxecosysteem
Eindfase van de successie: de samenstelling verandert niet wezenlijk meer zolang de omstandigheden gelijk blijven.
15

Overgangen en groei

De motor achter de overgangen is concurrentie: soorten die het in de nieuwe omstandigheden beter doen, verdringen de vorige.

Een groeicurve laat zien hoe een populatie zich daarbij ontwikkelt. Eerst loopt hij steil op, daarna vlakt hij af naarmate de draagkracht in zicht komt. Een gradiëntecosysteem is een gebied waarin een factor geleidelijk verloopt, bijvoorbeeld van nat naar droog of van zout naar zoet. Doordat er voor veel soorten ergens een geschikte plek zit, leven er veel meer soorten dan in een uniform gebied.

Kernbegrippen

gradiëntecosysteem
Gebied waarin een factor geleidelijk verloopt, zoals van nat naar droog; door die overgang leven er veel meer soorten dan in een uniform gebied.
groeicurve
Grafiek van de populatiegrootte in de tijd; hij loopt eerst steil op en vlakt af zodra de draagkracht in zicht komt.
16

Evenwicht en omslag

Een ecosysteem kan in meer dan één evenwichtstoestand verkeren. De draagkracht geeft aan hoeveel individuen een gebied blijvend kan onderhouden; daarboven neemt de sterfte toe of de aanwas af, waardoor het aantal weer terugzakt.

Zolang een verstoring binnen de tolerantiegrenzen blijft, veert het systeem terug. Maar bij aanhoudende druk kan het een omslagpunt bereiken en in één keer naar een heel andere toestand kantelen — een helder meer dat troebel wordt, bijvoorbeeld. Terugdraaien lukt dan meestal niet door de druk simpelweg weg te nemen.

Kernbegrippen

draagkracht
Het aantal individuen dat een gebied blijvend kan onderhouden; daarboven neemt de sterfte toe of de aanwas af.
tolerantiegrenzen
De uiterste waarden van een factor waartussen een soort het nog uithoudt.
omslagpunt
Punt waarop een ecosysteem door aanhoudende verstoring opeens in een andere toestand kantelt, die daarna moeilijk terug te draaien is.
17

De mens en de ontwikkeling van ecosystemen

Klimaatverandering verschuift temperatuur en neerslag, en daarmee waar soorten kunnen leven en wanneer ze bloeien, uitkomen of trekken. Dat verandert niet alleen de plek van een soort, maar ook of hij zijn voedsel of bestuiver nog op het juiste moment tegenkomt.

Doordat die verschuivingen sneller gaan dan veel soorten zich kunnen aanpassen of verplaatsen, verandert de ontwikkeling van hele ecosystemen — en daarmee het systeem Aarde.

Kernbegrippen

klimaatverandering
Blijvende verschuiving van temperatuur en neerslagpatronen, versneld door de uitstoot van broeikasgassen.
18

Voedselrelaties

Voedselrelaties bepalen hoe stof en energie door een ecosysteem bewegen. Bij predatie doodt een organisme een ander en eet het op; predator en prooi houden elkaars aantallen daarbij in beweging, met golven die achter elkaar aanlopen.

Vraat is anders: daarbij wordt maar een deel gegeten en blijft het slachtoffer leven, zoals een rups aan een blad. Planten zijn daar niet weerloos tegen. Sommige geven bij vraat een signaalstof af die juist de natuurlijke vijand van de vreter aantrekt.

Kernbegrippen

voedselrelatie
Verband tussen organismen dat draait om wie wat eet, en daarmee om de doorgifte van stof en energie.
predatie
Een organisme doodt en eet een ander; predator en prooi houden elkaars aantallen in beweging.
vraat
Eten van delen van een organisme zonder het te doden, zoals een rups die aan een blad knaagt.
19

Relaties in een voedselketen

Een voedselketen is een reeks waarin elke schakel de volgende tot voedsel dient. Maar niet elke relatie tussen soorten draait om opeten.

Symbiose is duurzaam samenleven, en je deelt het in naar wat het beide partijen oplevert. Bij mutualisme worden ze er allebei beter van, zoals bloem en bestuiver. Bij commensalisme profiteert de een en merkt de ander er niets van. Bij parasitisme profiteert de een ten koste van de ander — maar zonder die meteen te doden, want dan verliest de parasiet zijn eigen kostwinner.

Kernbegrippen

voedselketen
Reeks organismen waarbij elke schakel de volgende tot voedsel dient, van producent naar consumenten.
symbiose
Duurzaam samenleven van twee soorten; naar het resultaat voor beide partijen onderscheid je mutualisme, commensalisme en parasitisme.
parasitisme
Samenleven waarbij de een profiteert en de ander schade lijdt, zonder er meteen aan te bezwijken.
20

Van keten naar web

In werkelijkheid eet vrijwel geen enkele soort maar één ding, en wordt vrijwel geen enkele soort door maar één ander gegeten. Alle voedselketens in een ecosysteem samen vormen daarom een voedselweb.

Dat verschil telt: hoe meer verbindingen, hoe beter een ecosysteem een klap opvangt. Valt er in een enkele keten een schakel weg, dan stort de rest in; in een web kunnen soorten uitwijken naar een andere voedselbron.

Kernbegrippen

voedselweb
Alle voedselketens in een ecosysteem samen; omdat de meeste soorten meer dan één voedselbron hebben, is dit een net en geen rij.

Let hierop

Schrijf niet dat energie in een kringloop terugkeert. Alleen stoffen circuleren; bij iedere trofische overdracht is minder chemische energie beschikbaar voor het volgende niveau.

Controleer of je het begrijpt

Beantwoord deze vragen zonder terug te kijken. Kun je de tussenstappen hardop uitleggen, dan beheers je de kern beter dan wanneer je de tekst alleen herkent.

  1. Waarom is de biomassa van toppredatoren meestal kleiner dan die van producenten?
  2. Voorspel twee gevolgen van het verdwijnen van één soort uit een voedselweb.
  3. Leg uit hoe reducenten een stoffenkringloop sluiten.

Verantwoording

De leerdoelen en begrippen zijn afgestemd op de syllabus biologie vwo van het College voor Toetsen en Examens. De uitleg, voorbeelden, kernredenering en zelfcheck zijn eigen werk van BiologieBoost.

Lees de volledige werkwijze op Bronvermelding en meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.

Oefen verder met kenmerken van ecosystemen

Herhaal de kernbegrippen met flitskaarten en pas de redeneringen toe in examenopgaven.

Naar de oefeningen