BiologieBoost
Upgrade · 7 dagen gratis🔥 0

Hoofdstuk 7 · Theorie biologie vwo

Evolutie

Waarom soorten veranderen: toevallige variatie, selectie die daar richting aan geeft, en het ontstaan van nieuwe soorten uit oude.

Dit kun je uitleggen

  • Je kunt in een context uitleggen hoe genetische variatie in een populatie kan veranderen door willekeurige mutaties, genetic drift en gene flow.
  • Je kunt in een context uitleggen hoe isolatie, stichtereffect en flessenhalseffect de genetische variatie in een populatie kunnen veranderen.
  • Je kunt in een context bepalen wat het verband is tussen de genetische variatie van opeenvolgende generaties met gebruik van de regel van Hardy-Weinberg.
  • Je kunt in een context uitleggen dat adaptatie van populaties tot stand komt door selectie van organismen.
  • Je kunt in een context uitleggen dat selectiedruk adaptaties bijeenbrengt die het voortplantingssucces van de soort vergroten.
  • Je kunt in een context beschrijven wat overeenkomsten en verschillen zijn tussen natuurlijke en kunstmatige selectie.
  • Je kunt in een context uitleggen dat soorten ontstaan door verschillende vormen van reproductieve isolatie.
  • Je kunt in een context uitleggen hoe verwantschap en afstamming van soorten weergegeven kan worden in de vorm van een cladogram.

Zo hangt de stof samen

Bouw een selectieredenering altijd in dezelfde volgorde: er is erfelijke variatie, de omgeving veroorzaakt verschil in voortplantingssucces, gunstige allelen worden daardoor relatief vaker doorgegeven en de allelfrequentie in de populatie verandert over generaties.

01

Waardoor genetische variatie verandert

Genetische variatie is de voorraad verschillende allelen in een populatie. Nieuwe variatie ontstaat alleen door mutatie: willekeurige veranderingen in het DNA, die los staan van wat een organisme op dat moment kan gebruiken.

Daarna verschuiven de allelfrequenties op drie manieren. Selectie bevoordeelt allelen die de fitness verhogen — het aantal nakomelingen dat zelf ook nakomelingen krijgt. Genetic drift verschuift frequenties puur door toeval, en dat werkt hard door in kleine populaties. Gene flow brengt allelen van elders binnen en maakt populaties juist meer op elkaar lijkend.

Op de lange duur zie je daarvan twee patronen: divergentie, waarbij verwante groepen uit elkaar groeien, en convergentie, waarbij niet-verwante soorten in dezelfde omstandigheden op elkaar gaan lijken.

Kernbegrippen

genetische variatie
De verscheidenheid aan allelen binnen een populatie; hoe groter die is, hoe meer kans dat er individuen bij zitten die een verandering overleven.
adaptatie
Erfelijk kenmerk waarmee een organisme beter past bij zijn omgeving, ontstaan doordat selectie dat kenmerk generaties lang bevoordeelde.
fitness
Mate waarin een individu bijdraagt aan de volgende generatie; niet overleven telt, maar nakomelingen die zich zelf ook voortplanten.
02

Isolatie, stichters en flessenhalzen

Zodra uitwisseling wegvalt, gaan populaties hun eigen kant op. Twee situaties krijgen daarbij een eigen naam, omdat ze allebei de variatie sterk verkleinen.

Bij het stichtereffect begint een nieuwe populatie met een handjevol individuen — een groepje dat op een eiland belandt. Die groep draagt maar een deel van de allelen van de oorspronkelijke populatie, en toevallig welk deel. Bij het flessenhalseffect wordt een bestaande populatie tijdelijk sterk uitgedund, bijvoorbeeld door een ramp of jacht. Ook als het aantal zich later herstelt, blijft de variatie klein: de verdwenen allelen komen niet terug.

Kernbegrippen

stichtereffect/founder effect
Een kleine groep sticht een nieuwe populatie en neemt maar een deel van de allelen mee; de nieuwe populatie wijkt daardoor toevallig af van de oude.
flessenhalseffect/bottleneck effect
Een populatie wordt tijdelijk sterk uitgedund, waardoor veel allelen verdwijnen; ook na herstel blijft de variatie klein.
03

De regel van Hardy-Weinberg

Met de regel van Hardy-Weinberg reken je uit welke genotypefrequenties je zou verwachten als er niets verandert. Voor twee allelen met frequenties p en q geldt (p + q) × (p + q) = p² + 2pq + q² = 1: p² homozygoot dominant, 2pq heterozygoot en q² homozygoot recessief.

De aannames zijn streng: geen selectie, geen mutatie, geen migratie, willekeurige paring en een grote populatie. In die vorm komt het in de natuur nooit voor, en dat is precies het nut. Wijkt een waargenomen verdeling af van de berekende, dan weet je dat er iets aan het werk is — en dat is het interessante deel.

Kernbegrippen

regel van Hardy-Weinberg
Rekenregel waarmee je uit allelfrequenties de verwachte genotypefrequenties afleidt, onder de aanname dat er niets verandert: geen selectie, mutatie, migratie of toeval.
(p + q) x (p + q) = p² + 2pq + q² = 1
De uitgeschreven regel van Hardy-Weinberg voor twee allelen: p² is het aandeel homozygoot dominant, 2pq heterozygoot en q² homozygoot recessief.
04

Natuurlijke selectie en adaptatie

Binnen een populatie verschillen individuen erfelijk van elkaar. Niet iedereen krijgt evenveel nakomelingen: wie door zijn eigenschappen beter uit de voeten kan in de heersende omstandigheden, laat er meer na. Dat is natuurlijke selectie.

Fitness is de maat daarvoor. Niet kracht of levensduur telt, maar de bijdrage aan de volgende generatie. Allelen van individuen met een hoge fitness worden elke generatie iets talrijker, die van de rest zeldzamer.

Het gevolg is pas op populatieniveau zichtbaar. Een individu past zich niet aan; een populatie raakt aangepast doordat de verhouding tussen allelen verschuift. Een adaptatie is dus altijd het resultaat van vele generaties selectie, en wel op variatie die door toeval al aanwezig was.

Kernbegrippen

natuurlijke selectie
Ongelijke overleving en voortplanting binnen een populatie: wie beter uit de voeten kan in de heersende omstandigheden laat meer nakomelingen na, en zijn allelen worden talrijker.
05

Selectiedruk, homologie en analogie

Selectiedruk is de kracht waarmee de omgeving aan een populatie trekt: roofdieren, klimaat, voedselaanbod, een antibioticum. Hoe zwaarder die druk, hoe sneller de allelfrequenties verschuiven. Wat daarbij telt is het voortplantingssucces — het aantal nakomelingen dat zich zelf ook weer voortplant.

Onder aanhoudende selectiedruk stapelen aanpassingen zich op. Aan de bouw van organismen is af te lezen hoe dat is verlopen. Homologe organen hebben hetzelfde bouwplan en dus een gemeenschappelijke voorouder, ook als de functie verschilt: de arm van een mens, de vleugel van een vleermuis en de vin van een walvis.

Analoge organen hebben dezelfde functie zonder gemeenschappelijke oorsprong, zoals de vleugel van een insect naast die van een vogel. Alleen homologie zegt iets over verwantschap; analogie zegt iets over de omstandigheden.

Kernbegrippen

selectiedruk
Kracht waarmee de omgeving aan een populatie trekt — roofdieren, klimaat, voedselaanbod. Hoe zwaarder die druk, hoe sneller de allelfrequenties verschuiven.
soort
Voortplantingsgemeenschap die van andere gescheiden blijft: alleen onderling ontstaan er nakomelingen die zelf ook vruchtbaar zijn.
homologie
Overeenkomst in bouwplan die op een gemeenschappelijke voorouder berust, ook als de functie verschilt: mensenarm, vleermuisvleugel en walvisvin.
06

Natuurlijke en kunstmatige selectie

Kunstmatige selectie werkt net als natuurlijke selectie, met één verschil: de mens bepaalt wie zich voortplant. Bij veredeling gaat het om planten met meer opbrengst, betere smaak of resistentie tegen een ziekte; bij fokken om dieren met gewenste eigenschappen.

Het mechanisme is hetzelfde — erfelijke variatie, ongelijke voortplanting, verschuivende allelfrequenties — maar de maatstaf niet. De natuur selecteert op overleven en voortplanten in de omgeving zelf, de mens op één kenmerk dat hij wil, ook als het dier of de plant daar nadeel van heeft.

Het gaat bovendien veel sneller, en dat kost iets. Met weinig ouderdieren fokken vergroot de inteelt, waardoor erfelijke gebreken vaker tot uiting komen. Seksuele selectie is een derde variant: daar geeft de partnerkeuze binnen de soort de doorslag.

Kernbegrippen

kunstmatige selectie
Selectie waarbij niet de omgeving maar de mens bepaalt welke individuen zich voortplanten, met een gewenst kenmerk als maatstaf.
seksuele selectie
Selectie via de partnerkeuze: kenmerken die de kans op een partner vergroten winnen terrein, ook als ze de overlevingskans juist verkleinen.
veredeling
Doelgericht kruisen en uitselecteren van planten om eigenschappen als opbrengst, smaak of ziekteresistentie te versterken.
07

Hoe soorten ontstaan

Een soort is een voortplantingsgemeenschap: onderling ontstaan er vruchtbare nakomelingen, met andere soorten niet. Nauw verwante soorten worden samengenomen in een geslacht.

Een nieuwe soort ontstaat zodra twee groepen reproductief geïsoleerd raken. Bij allopatrische soortvorming gebeurt dat door een barrière in de ruimte — een zeearm, een gebergte, een snelweg. Beide delen krijgen hun eigen mutaties en hun eigen selectiedruk, en na genoeg generaties passen ze niet meer bij elkaar, ook niet als de barrière weer verdwijnt.

Bij sympatrische soortvorming leven de groepen in hetzelfde gebied, maar plant de een zich bijvoorbeeld op een andere waardplant of in een ander seizoen voort. Coevolutie speelt zich juist tussen soorten af: bloem en bestuiver, gastheer en parasiet sturen elkaars verandering.

Kernbegrippen

geslacht (genus)
Groep nauw verwante soorten in de indeling van organismen; het staat vooraan in de wetenschappelijke naam en krijgt een hoofdletter.
reproductieve isolatie
Situatie waarin de erfelijke uitwisseling tussen twee groepen stopt, doordat paren uitblijft of de nakomelingen onvruchtbaar zijn. Vanaf dat punt zijn het aparte soorten.
coevolutie
Twee soorten die op elkaar reageren en elkaars verandering sturen, zoals een bloem en haar bestuiver of een gastheer en zijn parasiet.
08

Verwantschap in beeld

Alle soorten stammen af van gemeenschappelijke voorouders. Hoe recenter de voorouder die twee soorten delen, hoe nauwer hun verwantschap en hoe meer hun bouw en hun DNA op elkaar lijken.

Een cladogram brengt die afstamming in beeld. Elke splitsing staat voor een gemeenschappelijke voorouder, en elke tak — een clade — bevat die voorouder samen met álle soorten die eruit zijn voortgekomen. Wie een deel van de nakomelingen weglaat, houdt geen clade over.

De volgorde van vertakken wordt afgeleid uit gedeelde nieuwe kenmerken en uit verschillen in DNA-volgorde. Om er jaartallen bij te kunnen zetten zijn fossielen en gesteenten nodig. Die worden gedateerd met radioactieve isotopen, die met een bekende en constante snelheid vervallen.

Kernbegrippen

verwantschap
Mate waarin soorten een gemeenschappelijke voorouder delen. Hoe recenter die voorouder, hoe meer bouw en DNA op elkaar lijken.
afstamming
Lijn van voorouder naar nakomeling door de tijd heen; langs die lijnen zijn alle soorten van nu tot één gemeenschappelijke oorsprong terug te voeren.
cladogram
Vertakkingsschema waarin elke splitsing een gemeenschappelijke voorouder voorstelt; de volgorde van vertakken laat zien wie het nauwst verwant is.
09

Typen mutaties

Een mutatie is een blijvende verandering in het erfelijk materiaal. Op de kleinste schaal gaat het om één base: een puntmutatie. Door de reservecapaciteit in de genetische code verandert het aminozuur daarbij lang niet altijd.

Een insertie voegt basen toe, een deletie haalt ze weg. Is het aantal geen veelvoud van drie, dan verschuift het leesraam en worden vanaf dat punt alle codons verkeerd afgelezen. Zo'n leesraamverschuiving heeft daardoor veel grotere gevolgen dan één verwisselde base.

Op de grootste schaal staat de genoommutatie: het aantal hele chromosomen verandert, doordat een paar bij de meiose niet uit elkaar gaat. Voor alle typen geldt hetzelfde onderscheid — in een geslachtscel gaat de verandering naar de volgende generatie, in een lichaamscel blijft ze bij die cel en haar nakomelingen.

Kernbegrippen

chromosoom
Sterk opgerolde DNA-streng met bijbehorende eiwitten; in die compacte vorm is het erfelijk materiaal bij een deling over de dochtercellen te verdelen.
gen
Erfelijke eenheid: een stuk DNA waarvan de basenvolgorde vastlegt hoe één eiwit of RNA-molecuul eruitziet. Elk exemplaar heeft zijn eigen plaats op een chromosoom.
allel
Variant van een gen, op dezelfde plaats van het chromosoom; verschillende varianten leveren verschillende uitvoeringen van hetzelfde kenmerk op.
10

Mutaties en het fenotype

Of een mutatie iets uitmaakt, hangt af van waar hij valt. Zit hij in een stuk DNA dat nergens voor codeert, dan merkt de cel er niets van. Zit hij in een gen, dan verandert er misschien één aminozuur in het eiwit — en soms zelfs dat niet, omdat meerdere codons hetzelfde aminozuur aangeven.

Verandert het eiwit wel, dan hangt het gevolg af van de plaats. Een wijziging ver van het actieve centrum van een enzym blijft vaak zonder merkbaar effect; een wijziging erin maakt het enzym trager of onbruikbaar. Zo wordt een verandering in het genotype zichtbaar in het fenotype.

Voor de evolutie telt alleen wat in een geslachtscel gebeurt. Alleen die veranderingen bereiken de volgende generatie en kunnen de samenstelling van een populatie verschuiven.

Kernbegrippen

genotype
Het geheel van allelen dat een individu heeft; samen met invloeden van buitenaf bepaalt het hoe het individu eruitziet en werkt.
fenotype
Alle waarneembare kenmerken van een individu, als resultaat van het genotype en de omgeving samen.
11

Mutaties zijn toevallig

Een mutatie is geen antwoord op een behoefte. Ze treft een willekeurige plaats in het DNA, en of het resultaat gunstig uitpakt hangt volledig af van de omgeving waarin het individu leeft.

Verreweg de meeste veranderingen zijn neutraal of nadelig. Een eiwit dat al miljoenen jaren naar behoren werkt, wordt door een willekeurige wijziging zelden beter. Toch zit er af en toe een bij die de overlevingskans vergroot, en juist die wordt door selectie talrijker.

De volgorde is dus omgekeerd aan wat het lijkt. Bacteriën worden niet resistent doordat er een antibioticum is; er was toevallig al een resistente bacterie, en het antibioticum ruimt de rest op. Zonder toevallige mutaties zou er geen materiaal zijn waarop selectie kan aangrijpen.

Kernbegrippen

overlevingskans
Kans dat een individu lang genoeg blijft leven om nakomelingen te krijgen; een toevallige verandering in het DNA kan die kans verhogen of verlagen.
12

Variatie in een populatie

De genenpool is het geheel van allelen in een populatie. Twee processen bepalen hoe rijk die is. Mutatie levert nieuwe allelen en is daarmee de enige bron van echt nieuw materiaal. Recombinatie levert nieuwe combinaties van allelen die er al waren, en zorgt ervoor dat vrijwel elk individu een eigen genotype en dus een eigen fenotype heeft.

Die variatie is de speelruimte van een populatie. Verandert het milieu, dan is de kans groter dat er individuen tussen zitten met een aanpassing die past. De populatie als geheel houdt het dan vol, ook al redden veel individuen het niet.

Inteelt werkt de andere kant op. Voortplanting tussen nauwe verwanten maakt nakomelingen vaker homozygoot, waardoor schadelijke recessieve allelen tot uiting komen en de genenpool verarmt. Kleine, geïsoleerde populaties lopen daar tegenaan.

Kernbegrippen

mutatie
Blijvende verandering in de basenvolgorde of in het aantal chromosomen; alleen in een geslachtscel gaat ze mee naar het nageslacht.
recombinatie
Nieuwe combinaties van bestaande allelen, ontstaan bij de meiose en de bevruchting; er komt geen enkel allel bij, ze worden alleen anders verdeeld.
genenpool
Alle allelen die in een populatie samen aanwezig zijn; hoe rijker die voorraad, hoe meer mogelijkheden er zijn als de omstandigheden veranderen.

Let hierop

Individuen passen zich niet doelgericht genetisch aan omdat ze iets nodig hebben. Mutaties ontstaan zonder doel; selectie verandert daarna de samenstelling van de populatie.

Controleer of je het begrijpt

Beantwoord deze vragen zonder terug te kijken. Kun je de tussenstappen hardop uitleggen, dan beheers je de kern beter dan wanneer je de tekst alleen herkent.

  1. Leg resistentie tegen een antibioticum uit zonder te schrijven dat bacteriën eraan wennen.
  2. Waarom is variatie binnen een populatie een voorwaarde voor natuurlijke selectie?
  3. Wat kan overeenkomst in DNA zeggen over verwantschap?

Verantwoording

De leerdoelen en begrippen zijn afgestemd op de syllabus biologie vwo van het College voor Toetsen en Examens. De uitleg, voorbeelden, kernredenering en zelfcheck zijn eigen werk van BiologieBoost.

Lees de volledige werkwijze op Bronvermelding en meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.

Oefen verder met evolutie

Herhaal de kernbegrippen met flitskaarten en pas de redeneringen toe in examenopgaven.

Naar de oefeningen