BiologieBoost
Upgrade · 7 dagen gratis🔥 0

Verdieping · Populatiegenetica

Hardy-Weinberg gebruiken als nulmodel

Het Hardy-Weinbergmodel beschrijft wat je verwacht als allelfrequenties niet veranderen door selectie, mutatie, migratie, toeval of niet-willekeurige paring. Het is dus geen bewering dat echte populaties perfect in evenwicht zijn, maar een nulmodel waarmee je waarnemingen kunt vergelijken.

Bereken allel- en genotypefrequenties en begrijp welke aannames achter het Hardy-Weinbergmodel zitten.

01

Maak van aantallen frequenties

Voor twee allelen A en a noem je de frequenties p en q. Samen zijn alle allelen vertegenwoordigd, dus p + q = 1. Tel bij diploïde organismen twee allelen per individu: een AA-individu levert twee A-allelen, Aa één A en één a.

De frequentie van A is daarom (2 × aantal AA + aantal Aa) gedeeld door twee keer het aantal individuen. Controleer dat p en q tussen nul en één liggen en optellen tot één.

02

Van allelen naar verwachte genotypen

Bij willekeurige paring is de kans op A uit een gameet p en op a q. De verwachte frequenties zijn p² voor AA, 2pq voor Aa en q² voor aa. De factor twee bij heterozygoten komt doordat A van ouder één en a van ouder twee kan komen, of omgekeerd.

Ook p² + 2pq + q² moet één zijn. Vermenigvuldig frequenties pas daarna met de populatiegrootte als om aantallen wordt gevraagd. Rond bij voorkeur pas aan het einde af.

03

Werk terug vanuit een recessief fenotype

Als een recessief fenotype uitsluitend bij aa voorkomt en de populatie aan de aannames voldoet, is de fenotypefrequentie q². Neem de wortel om q te vinden, bereken p = 1 − q en daarna 2pq voor de verwachte heterozygoten.

Dat werkt alleen wanneer penetrantie, fenotypering en modelaannames passend zijn. Bij meerdere genen, onvolledige penetrantie of selectie tegen aa is het eenvoudige model onvoldoende.

04

Interpreteer een afwijking

Verschillen tussen waargenomen en verwachte genotypefrequenties kunnen wijzen op niet-willekeurige paring, populatiestructuur, selectie of toeval. Het model alleen vertelt niet welke oorzaak geldt; daarvoor heb je extra gegevens nodig.

In kleine populaties kan genetische drift allelfrequenties sterk veranderen. Migratie brengt allelen binnen of voert ze af. Selectie veroorzaakt verschillen in voortplantingssucces. Benoem het proces en hoe het p of q beïnvloedt.

Controleer deze drie punten

  • p en q zijn allelfrequenties; p², 2pq en q² zijn genotypefrequenties.
  • Een dominant fenotype geeft niet rechtstreeks p², omdat heterozygoten hetzelfde fenotype kunnen hebben.
  • Het model is een nulverwachting en geen garantie voor echte populaties.

Kun je dit zonder terugkijken?

  1. Bereken q wanneer 9% van een evenwichtspopulatie het recessieve fenotype heeft.
  2. Waarom staat er 2pq voor heterozygoten?
  3. Noem twee processen die een populatie van de nulverwachting kunnen laten afwijken.

Redactionele verantwoording

Dit artikel is in eigen woorden geschreven door BiologieBoost en sluit aan bij de biologische redeneerwijzen en onderwerpen uit de syllabus biologie vwo. Het is geen kopie of bewerking van een lesmethode.

Lees meer over onze werkwijze op Bronvermelding of meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.

Soorten en populaties

Lees het volledige theoriehoofdstuk of oefen dezelfde stof met flitskaarten en examenopgaven.

Open hoofdstuk