BiologieBoost
Upgrade · 7 dagen gratis🔥 0

Hoofdstuk 20 · Theorie biologie vwo

Planten

Planten leven van licht: fotosynthese, transport door de plant en hoe ze zich voortplanten.

Honingbij die stuifmeel verzamelt op een gele bloem
Foto: Christian Himmel via Pexels. Gebruikt onder de Pexels-licentie; de foto dient als context en niet als biologisch schema.

Dit kun je uitleggen

  • Je kunt in een context beschrijven dat organismen door fotosynthese autotroof zijn.
  • Je kunt in een context benoemen wat voorwaarden zijn voor fotosynthese in planten.
  • Je kunt in een context beschrijven wat het belang is van fotosynthese als basis voor de voortgezette assimilatie en dissimilatie van het organisme.
  • Je kunt in een context beschrijven welke vormen er zijn van actief.
  • Je kunt in een context toelichten wat de relatie is tussen de eigenschappen van de getransporteerde stoffen en de bouw en eigenschappen van membranen.
  • Je kunt in een context toelichten dat effecten van osmotische werking verschillen bij plantaardige en dierlijke cellen.
  • Je kunt in een context uitleggen dat door de aanwezigheid van een selectief doorlaatbaar celmembraan de celinhoud permanent verschilt van de celomgeving.
  • Je kunt in een context beschrijven wat de rol is van het cytoskelet bij transportprocessen.

Zo hangt de stof samen

Planten combineren opname, transport, gaswisseling en assimilatie. Volg water vanaf de bodem via wortelharen en houtvaten naar het blad, en volg suikers daarna via bastvaten naar plaatsen waar ze worden gebruikt of opgeslagen.

01

Fotosynthese maakt autotroof

Een plant hoeft geen organische stof te eten: hij maakt hem zelf. Met koolstofassimilatie bouwt hij uit koolstofdioxide en water glucose, met licht als energiebron en zuurstof als bijproduct.

Dat is wat een organisme autotroof maakt, en het is de reden dat producenten aan het begin van elke voedselketen staan. Alle energie die verderop in een ecosysteem rondgaat, is hier binnengekomen.

Kernbegrippen

fotosynthese
Vastleggen van koolstofdioxide en water tot glucose met licht als energiebron, waarbij zuurstof vrijkomt.
koolstofassimilatie
Inbouwen van koolstof uit koolstofdioxide in organische stof; dit maakt een fotosynthetiserend organisme autotroof.
anorganische stof
Stof zonder de koolstofketens van levende materie, zoals water, zouten, koolstofdioxide en stikstofgas.
02

Voorwaarden voor fotosynthese

Fotosynthese heeft licht, koolstofdioxide, water en een geschikte temperatuur nodig, plus chlorofyl om het licht op te vangen.

Ontbreekt er één, dan stopt het proces — hoe ruim de rest ook aanwezig is. Dat is het principe van de beperkende factor: de snelheid wordt bepaald door datgene waar op dat moment het meeste tekort aan is. In een kas is dat vaak koolstofdioxide, en daarom wordt dat er bijgedoseerd.

Kernbegrippen

beperkende factor
De factor die op dat moment het verst van het optimum af zit en daarmee in zijn eentje bepaalt hoe hard iets kan groeien.
chloroplast
Organel met stapels membranen vol chlorofyl; hierin legt de plant lichtenergie vast in glucose.
03

Waarom fotosynthese de basis is

De glucose uit de fotosynthese is het startpunt voor al het andere. In de voortgezette assimilatie wordt hij omgebouwd tot zetmeel, cellulose, vetten en eiwitten — het materiaal waar de plant zelf uit bestaat.

En hij is de brandstof voor de dissimilatie, waarmee de plant zijn eigen energie levert. Een plant ademt dus gewoon, dag en nacht; overdag is de fotosynthese alleen zo veel sneller dat er netto zuurstof uit gaat.

Kernbegrippen

voortgezette assimilatie
Het verder verwerken van de glucose uit de fotosynthese tot andere stoffen: zetmeel, vetten, eiwitten en nucleïnezuren.
dissimilatie
Afbraak van organische stof waarbij energie vrijkomt voor de cel; aeroob levert het koolstofdioxide en water op.
04

Vormen van transport

Een cel is geen zeef. Wat er in en uit gaat, hangt af van het molecuul en van de route die ervoor bestaat.

Passief transport gaat met het concentratieverschil mee en kost geen energie: diffusie voor kleine ongeladen moleculen zoals zuurstof, osmose voor water. Actief transport gaat er juist tegenin, met een pomp-eiwit en ten koste van ATP — zo blijven de ionenconcentraties binnen en buiten verschillend.

Grote deeltjes passen door geen enkel eiwit. Die gaan met endocytose naar binnen, doordat het membraan zich eromheen plooit, en met exocytose naar buiten, doordat een blaasje met het membraan versmelt.

Kernbegrippen

diffusie
Deeltjes bewegen willekeurig en verspreiden zich daardoor vanzelf tot de concentratie overal gelijk is; daar is geen energie voor nodig.
osmose
Verplaatsing van water door een semipermeabel membraan naar de kant met de hoogste osmotische waarde.
actief transport
Verplaatsing van laag naar hoog: een pomp-eiwit werkt tegen het concentratieverschil in en betaalt dat met ATP.
05

Membraan en molecuul

Het celmembraan is een dubbele laag fosfolipiden: wateraantrekkende koppen naar buiten, waterafstotende staarten naar binnen. Die bouw bepaalt wie er zomaar doorheen komt.

Vetoplosbare, apolaire moleculen glijden er dwars doorheen. Wateroplosbare, polaire moleculen en alle ionen komen er juist niet door — de vetlaag houdt ze tegen. Voor die stoffen zijn er eiwitten in het membraan die als kanaal of als pomp dienstdoen. Dat is meteen de reden dat de cel controle heeft over wat er binnenkomt.

Kernbegrippen

fosfolipiden
Moleculen met een wateraantrekkende kop en waterafstotende staarten; ze vormen vanzelf de dubbele laag van het celmembraan.
wateroplosbaar
Oplosbaar in water doordat het molecuul geladen of polair is; komt daardoor juist niet door de vetlaag van het membraan.
vetoplosbaar
Oplosbaar in vet doordat het molecuul apolair is; passeert het membraan gemakkelijk.
06

Osmose bij plant en dier

Dezelfde osmose pakt bij een plantencel anders uit dan bij een dierlijke cel, en dat komt door de celwand.

In een hypotonische omgeving neemt een plantencel water op tot de celwand tegendruk geeft: turgor. Dat is wat een kruidachtige plant rechtop houdt. Een dierlijke cel heeft die wand niet en kan in dezelfde omgeving knappen.

In een hypertonische omgeving verliest de plantencel water en trekt het membraan met de inhoud los van de wand — plasmolyse. De dierlijke cel schrompelt gewoon ineen.

Kernbegrippen

plasmolyse
Bij een plantencel in een hypertonische omgeving trekt het celmembraan met de inhoud los van de celwand doordat er water uit stroomt.
turgor
De druk van de celinhoud tegen de celwand bij een plantencel die vol water zit; dit is wat een kruidachtige plant stevig houdt.
07

Waarom binnen anders is dan buiten

Het celmembraan is selectief permeabel: het laat de ene stof door en de andere niet. Daardoor kan de samenstelling binnen blijvend verschillen van die buiten — zonder dat verschil is er geen leven.

Om te vergelijken gebruik je de osmotische waarde. Een oplossing is isotonisch, hypotonisch of hypertonisch ten opzichte van een andere, en water gaat altijd naar de kant met de hoogste osmotische waarde. Dat is ook te schrijven als waterpotentiaal: water stroomt van hoog naar laag. De osmotische druk is de druk die je zou moeten uitoefenen om die stroom tegen te houden.

Kernbegrippen

semipermeabel membraan
Membraan dat water wel doorlaat maar de opgeloste deeltjes niet.
selectief permeabel
Doorlatend voor de ene stof en niet voor de andere, doordat er voor elke stof een eigen route of eiwit nodig is.
isotonisch
Met dezelfde osmotische waarde als de vergeleken vloeistof; er verplaatst zich netto geen water.
08

Transport binnen de cel

Ook binnen de cel moet er van alles verplaatst worden. Het cytoskelet is het netwerk van eiwitdraden dat de cel vorm geeft en dat tegelijk als rails dienstdoet.

Motoreiwitten lopen met ATP langs die draden en slepen daarbij blaasjes en organellen mee. Zo komen nieuwgemaakte eiwitten op hun bestemming en worden blaasjes naar het membraan gebracht.

Kernbegrippen

motoreiwit
Eiwit dat met ATP langs een draad van het cytoskelet loopt en daarbij blaasjes of organellen meesleept.
cytoskelet
Netwerk van eiwitdraden dat de cel vorm geeft, organellen op hun plek houdt en als rails voor transport dient.
09

Transport in de plant

Een plant heeft twee gescheiden transportstelsels, met elk hun eigen richting.

De houtvaten voeren water met opgeloste zouten omhoog, van wortel naar blad: de anorganische sapstroom. Het begint bij de wortelharen, die het opnameoppervlak enorm vergroten. Worteldruk duwt van onderaf, maar de grootste kracht komt van boven: verdamping via de huidmondjes trekt de waterkolom omhoog. Dat lukt doordat watermoleculen elkaar vasthouden (cohesiekracht) en aan de vaatwand plakken (adhesiekracht), zodat de kolom niet afbreekt.

De bastvaten doen het omgekeerde. Zij vervoeren de assimilatieproducten uit het blad — de organische sapstroom — naar waar ze verbruikt of opgeslagen worden, dus ook naar beneden.

Kernbegrippen

wortelhaar
Uitstulping van een wortelcel die het opnameoppervlak sterk vergroot; hier komen water en ionen de plant binnen.
houtvat
Buis van dode cellen zonder dwarswanden die water en opgeloste zouten van wortel naar blad transporteert.
worteldruk
Druk die ontstaat doordat de wortel actief ionen opneemt, waarna water volgt en het sap omhoog wordt geduwd.
10

Twee manieren van voortplanten

Elk organisme doorloopt een levenscyclus: van ontstaan tot voortplanting, waarna de reeks opnieuw begint.

Bij ongeslachtelijke voortplanting komt de nakomeling van één ouder en is hij erfelijk identiek. Dat gaat snel en kost weinig, maar levert geen variatie op — bij een veranderende omgeving is dat een risico, want wat de een niet overleeft, overleeft niemand.

Bij geslachtelijke voortplanting versmelten twee gameten en krijgt de nakomeling een nieuwe combinatie van eigenschappen. Dat is trager en kostbaarder, maar het levert precies de variatie waarop selectie kan aangrijpen.

Kernbegrippen

levenscyclus
De opeenvolging van stadia die een organisme doorloopt van ontstaan tot voortplanting, waarna de reeks opnieuw begint.
geslachtelijke voortplanting
Voortplanting waarbij twee gameten versmelten, zodat de nakomeling een nieuwe combinatie van erfelijke eigenschappen krijgt.
ongeslachtelijke voortplanting
Voortplanting vanuit één ouder, zonder gameten; de nakomelingen zijn erfelijk identiek en de variatie blijft dus uit.

Let hierop

Planten doen ook dissimilatie, dag en nacht. Fotosynthese levert organische stof en vindt alleen plaats als er licht is; dissimilatie levert voortdurend ATP voor levende cellen.

Controleer of je het begrijpt

Beantwoord deze vragen zonder terug te kijken. Kun je de tussenstappen hardop uitleggen, dan beheers je de kern beter dan wanneer je de tekst alleen herkent.

  1. Leg uit hoe verdamping in een blad watertransport vanuit de wortel veroorzaakt.
  2. Waarom sluiten huidmondjes bij droogte, en welk nadeel heeft dat?
  3. Vergelijk de route en inhoud van de anorganische en organische sapstroom.

Verantwoording

De leerdoelen en begrippen zijn afgestemd op de syllabus biologie vwo van het College voor Toetsen en Examens. De uitleg, voorbeelden, kernredenering en zelfcheck zijn eigen werk van BiologieBoost.

Lees de volledige werkwijze op Bronvermelding en meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.

Oefen verder met planten

Herhaal de kernbegrippen met flitskaarten en pas de redeneringen toe in examenopgaven.

Naar de oefeningen