BiologieBoost
Upgrade · 7 dagen gratis🔥 0

Hoofdstuk 13 · Theorie biologie vwo

Hormonen

Twee regelsystemen, één doel: je inwendig milieu constant houden terwijl er buiten van alles verandert.

Dit kun je uitleggen

  • Je kunt in een context beschrijven hoe longen, lever, nieren, huid, zenuwstelsel en hormoonstelsel bijdragen aan de homeostase bij de mens.
  • Je kunt in een context beschrijven wat de relatie is tussen de bouw van de lever, longen, huid en nieren en de homeostase.
  • Je kunt in een context toelichten wat de principes van een regelkring zijn.
  • Je kunt in een context beargumenteren op welke wijze verstoring van het dynamisch evenwicht kan ontstaan en kan worden tegengegaan.
  • Je kunt in een context beargumenteren hoe de werking is van een regelkring in het hormoonstelsel.
  • Je kunt in een context beschrijven hoe hormoonklieren en hun specifieke hormonen werken.
  • Je kunt in een context beschrijven hoe cellen signalen ontvangen,.
  • Je kunt in een context beschrijven hoe de signaalverwerking verloopt.

Zo hangt de stof samen

Bij hormoonvragen zoek je de regelkring. Bepaal welke grootheid wordt gemeten, welk hormoon de effector aanstuurt en hoe het gevolg terugwerkt op de afgifte. Zo kun je ook onbekende hormoonschema's systematisch lezen.

01

Homeostase: wie regelt wat

Homeostase is het constant houden van het inwendig milieu — het bloedplasma, de weefselvloeistof en de lymfe rondom je cellen — terwijl het uitwendig milieu alle kanten op schommelt. Wat constant moet blijven: temperatuur, pH, osmotische waarde, glucosegehalte en de gehalten aan zuurstof en koolstofdioxide.

Twee stelsels doen het werk, en ze vullen elkaar aan. Het zenuwstelsel meet met zintuigen en receptoren en stuurt in milliseconden bij, maar kortdurend. Het hormoonstelsel gebruikt het bloed als postbode: trager, maar het effect houdt lang aan.

De uitvoerders zijn organen. De longen regelen de gaswisseling, de nieren water en zouten, de lever de glucose en de afbraak van aminozuren, en de huid de warmteafgifte.

Kernbegrippen

zenuwstelsel
Snelle regelsysteem van het lichaam: het meet met zintuigen, verwerkt in hersenen en ruggenmerg, en stuurt spieren en klieren aan. Werkt in milliseconden, maar kortdurend.
zintuigen
Organen met receptoren die veranderingen in het inwendig of uitwendig milieu opvangen en omzetten in impulsen.
hormoonstelsel
Trage regelsysteem: klieren geven hormonen af aan het bloed, die overal komen maar alleen doelwitorganen met de juiste receptor bereiken. Langzamer dan het zenuwstelsel, maar het effect houdt langer aan.
02

Bouw en functie van de regelende organen

Elk orgaan is gebouwd voor zijn rol in de homeostase. De nier heeft haarvatenkluwens onder hoge druk voor de filtratie en lange buisjes om terug te halen wat bruikbaar is; daarmee stelt hij de waterhuishouding en de osmotische waarde bij.

Het bloed heeft zijn eigen buffer: hemoglobine en waterstofcarbonaat vangen vrijkomende waterstofionen op, zodat de pH nauwelijks verschuift als de koolstofdioxidedruk stijgt.

Meten gebeurt met receptoren op de juiste plek. Chemische receptoren volgen de samenstelling van het bloed — pCO2, pO2, pH, glucoseconcentratie — en drukreceptoren in de aortawand meten de bloeddruk. Zonder die metingen valt er niets bij te sturen.

Kernbegrippen

bufferende werking van hemoglobine en HCO3-
Hemoglobine en waterstofcarbonaat vangen vrijkomende waterstofionen op, zodat de pH van het bloed nauwelijks verandert als er meer koolstofdioxide bijkomt.
glucoseconcentratie
Het glucosegehalte van het bloed, dat door insuline en glucagon tussen nauwe grenzen wordt gehouden; hersencellen kunnen niets anders als brandstof gebruiken.
waterhuishouding
De balans tussen wateropname en waterafgifte, geregeld via de nieren, zodat de osmotische waarde van het inwendig milieu gelijk blijft.
03

De regelkring

Elke regeling heeft dezelfde vorm: een receptor meet, een regelcentrum vergelijkt de meting met de norm, en een effector stelt bij. Het effect komt via de receptor weer terug bij het begin — vandaar kring.

Bij negatieve terugkoppeling remt het effect de oorzaak, zodat de waarde terugveert naar de norm. Zo werkt vrijwel alle homeostase: het glucosegehalte, de temperatuur, de ademhaling.

Positieve terugkoppeling doet het omgekeerde: het effect versterkt de oorzaak en het proces jaagt zichzelf op. Dat is zeldzaam en altijd tijdelijk, want er moet een duidelijk eindpunt zijn — weeën die eindigen bij de geboorte, of een bloedstolsel dat af is.

Kernbegrippen

regelkring
Kringloop van meten, vergelijken en bijsturen: een receptor meet, een regelcentrum vergelijkt met de norm, en een effector stelt bij. Het effect komt terug bij de receptor.
positieve terugkoppeling
Het effect versterkt de oorzaak, zodat het proces zichzelf opjaagt. Zeldzaam in het lichaam, en altijd tot er een duidelijk eindpunt is — zoals bij weeën of bloedstolling.
negatieve terugkoppeling
Het effect remt de oorzaak, waardoor de waarde terugkeert naar de norm. Dit is het principe achter vrijwel alle homeostase.
04

Verstoring van het evenwicht

Een dynamisch evenwicht is geen stilstand: de waarde schommelt voortdurend, maar aanvoer en afvoer houden elkaar gemiddeld in balans.

Dat evenwicht raakt verstoord als één schakel van de regelkring uitvalt. Meet de receptor niet meer, ontbreekt het hormoon, of reageert het doelwitorgaan niet — bijvoorbeeld doordat de receptor ongevoelig is geworden — dan loopt de waarde weg. Tegengaan kan door de ontbrekende schakel aan te vullen of door de belasting te verlagen; bij welke van de twee dat het meest oplevert, moet je kijken waar de kring precies breekt.

Kernbegrippen

dynamisch evenwicht
Toestand waarin de waarde steeds licht schommelt maar gemiddeld gelijk blijft, doordat aanvoer en afvoer elkaar in evenwicht houden.
05

Hoe een hormonale regelkring werkt

Een hormoon is een signaalstof die endocrien wordt afgegeven: rechtstreeks aan het bloed, zonder afvoerbuis. Dat is het verschil met exocriene afgifte, waarbij het product via een buis naar een holte of naar buiten gaat.

Het hormoon komt overal, maar werkt alleen waar cellen de bijbehorende hormoonreceptor hebben — het doelwitorgaan. Niet de aanwezigheid maar de hormoonconcentratie bepaalt hoe sterk de reactie is.

Vaak zit er een keten voor: de hypothalamus geeft een releasing hormoon af, de hypofyse reageert met een eigen hormoon, en pas de klier daaronder levert het hormoon dat het werk doet. Het eindproduct remt de stappen erboven weer af — negatieve terugkoppeling over drie niveaus.

Kernbegrippen

hormoon
Signaalstof die een klier aan het bloed afgeeft en die alleen werkt op cellen met de bijpassende receptor.
hormoonklier
Orgaan dat hormonen produceert; sommige klieren doen daarnaast nog iets anders, zoals de alvleesklier die ook verteringssap maakt.
exocrien
Afgifte via een afvoerbuis naar een holte of naar buiten, zoals speeksel en alvleessap.
06

De hormoonklieren en hun hormonen

De hypothalamus koppelt zenuwstelsel aan hormoonstelsel; de hypofyse eronder is de stuurklier die schildklier, bijnier en geslachtsklieren aanzet.

Daaronder zit de rest, elk met een eigen taak. De schildklier regelt met schildklierhormoon de snelheid van de stofwisseling. Het bijniermerg levert adrenaline, dat het lichaam in één keer klaarzet voor inspanning. De eilandjes van Langerhans in de alvleesklier houden met insuline en glucagon het bloedsuikergehalte tussen nauwe grenzen. De nier geeft bij zuurstoftekort EPO af, waarop het beenmerg meer rode bloedcellen maakt. Eierstok en teelbal leveren de geslachtshormonen, en het verteringskanaal zijn eigen verteringshormonen.

Waar het hormoon aangrijpt hangt af van zijn bouw: op een receptor in het celmembraan, of op een receptor binnen in de cel.

Kernbegrippen

hypothalamus
Schakelpunt tussen prikkels en hormonen: dit hersendeel bewaakt de waarden van het inwendig milieu en vertaalt afwijkingen in opdrachten aan de hypofyse.
hypofyse
Stuurklier aan de onderkant van de hersenen; met zijn eigen hormonen zet hij schildklier, bijnier en geslachtsklieren aan het werk.
schildklier
Klier in de hals die schildklierhormoon afgeeft en daarmee de stofwisselingssnelheid van vrijwel alle cellen bepaalt.
07

Signalen ontvangen

Een cel merkt een signaalstof pas op als hij de bijpassende receptor heeft. Past het signaal, dan volgt een respons: een enzym dat aanslaat, een kanaal dat opengaat, of een gen dat wordt afgelezen.

Zit de receptor in het membraan, dan komt het signaal zelf de cel niet in. Het wordt binnen overgenomen door een second messenger, die op zijn beurt een signaalcascade in gang zet — een reeks stappen waarbij elke stap de volgende activeert. Onderweg wordt het signaal steeds groter, zodat één hormoonmolecuul aan de buitenkant duizenden reacties binnenin kan opleveren.

Kernbegrippen

signaalstof
Stof waarmee de ene cel de andere iets doorgeeft: een hormoon over grote afstand, een neurotransmitter over de breedte van een synaps.
respons
De reactie van een cel op een ontvangen signaal, van een enzym dat aanslaat tot een gen dat wordt afgelezen.
second messenger
Molecuul dat binnen in de cel het signaal overneemt van een receptor in het membraan en het doorgeeft, waarbij het meteen wordt versterkt.
08

Signaalverwerking in de zenuwcel

In rust is de binnenkant van het membraan negatief ten opzichte van de buitenkant: de rustpotentiaal. De natrium/kalium-pomp houdt dat verschil met energie in stand.

Haalt een prikkel de prikkeldrempel, dan slaat het verschil kort om — de actiepotentiaal. Die is altijd even sterk: sterkere prikkels leveren geen grotere impuls op, maar een hogere frequentie. Direct erna volgt de refractaire periode, waarin de cel niet opnieuw kan reageren; daardoor loopt de impuls maar één kant op.

De impuls wekt zichzelf steeds een stukje verderop op. Bij een uitloper met myeline springt hij van insnoering naar insnoering, en dat gaat veel sneller. In de synaps neemt een neurotransmitter het over, die exciterend of inhiberend kan werken.

Kernbegrippen

synaps
Contactplaats tussen twee cellen waar het signaal met een neurotransmitter over een smalle spleet wordt overgezet.
natrium/kalium-pomp
Pomp in het celmembraan die met energie natrium naar buiten en kalium naar binnen werkt en zo het spanningsverschil in stand houdt.
impulsgeleiding
Het doorgeven van een impuls langs een uitloper, doordat de verandering van het membraan zichzelf steeds een stukje verderop opwekt.
09

Communiceren over korte en lange afstand

Cellen hebben voor elke afstand een andere manier. Naast elkaar gaat het rechtstreeks, via cell junctions die stoffen en signalen van cel naar cel doorlaten. In de buurt gebeurt het met stoffen als cytokinen, die vooral bij afweer en ontsteking het werk verdelen.

Over grote afstand zijn er twee routes. De zenuwcel legt een vaste lijn aan naar precies één plek en is razendsnel. Het hormoon gaat met het bloed overal heen en bereikt alle cellen die de juiste receptor hebben — trager, maar in één keer overal.

Kernbegrippen

zenuwcel
Cel die gespecialiseerd is in het opwekken en doorgeven van impulsen, met een cellichaam en uitlopers.
cell junctions
Verbindingen tussen naburige cellen; sommige plakken cellen aan elkaar, andere laten stoffen en signalen rechtstreeks van cel naar cel gaan.
cytokine
Signaalstof waarmee cellen elkaar over korte afstand aansturen, vooral bij afweer en ontsteking.
10

Twee soorten respons

Waar een hormoon aangrijpt, hangt af van of het door het celmembraan komt.

Een peptidehormoon bestaat uit aminozuren en komt er niet doorheen. Het bindt aan een receptor in het celmembraan, en het signaal gaat binnen verder via een tweede boodschapper. Het effect grijpt in op wat er al in het cytoplasma klaarligt, en is er dus snel — maar het houdt ook kort aan.

Een steroïdhormoon is vetachtig en gaat wél door het membraan heen. Het bindt aan een receptor in het cytoplasma, waarna het complex naar de kern gaat en daar genen aan- of uitzet. Dat kost tijd, want er moet eerst eiwit gemaakt worden, maar het effect blijft veel langer hangen.

Kernbegrippen

steroïdhormoon
Vetachtig hormoon dat door het celmembraan heen gaat en binnen in de cel aan een receptor bindt; het effect loopt via genexpressie en komt daardoor traag maar duurzaam.
peptidehormoon (eiwithormoon)
Hormoon van aminozuren dat niet door het membraan komt en daarom aan een receptor aan de buitenkant bindt; het effect komt snel op gang via een tweede boodschapper.
receptor in het cytoplasma
Receptor binnen in de cel, voor hormonen die het membraan wel kunnen passeren; het complex gaat naar de kern en schakelt daar genen aan of uit.
11

Celcommunicatie op grotere schaal

Celcommunicatie blijft niet bij de cel. Doordat cellen elkaar aansturen, kan een weefsel als geheel reageren, kunnen organen op elkaar afgestemd raken en kan het hele organisme zich aanpassen aan wat er buiten gebeurt.

Je ziet dat aan wat er misgaat als het hapert. Reageren cellen niet meer op insuline, dan loopt niet alleen die ene cel maar de hele glucosehuishouding van het lichaam uit de pas. Wat op moleculair niveau begint, is op organismeniveau een ziektebeeld.

Kernbegrippen

celcommunicatie
Het uitwisselen van signalen tussen cellen. Op grotere schaal maakt dat de afstemming tussen weefsels en organen mogelijk, en daarmee het functioneren van het hele organisme.

Let hierop

Een hormoon bereikt via het bloed veel weefsels, maar alleen doelwitcellen met de juiste receptor reageren. Aanwezigheid in het bloed betekent dus niet dat iedere cel wordt beïnvloed.

Controleer of je het begrijpt

Beantwoord deze vragen zonder terug te kijken. Kun je de tussenstappen hardop uitleggen, dan beheers je de kern beter dan wanneer je de tekst alleen herkent.

  1. Leg negatieve terugkoppeling uit bij de regeling van bloedglucose.
  2. Waarom reageert een levercel wel op glucagon en een cel zonder glucagonreceptor niet?
  3. Voorspel wat er met een stimulerend hormoon gebeurt als het eindhormoon sterk stijgt.

Verantwoording

De leerdoelen en begrippen zijn afgestemd op de syllabus biologie vwo van het College voor Toetsen en Examens. De uitleg, voorbeelden, kernredenering en zelfcheck zijn eigen werk van BiologieBoost.

Lees de volledige werkwijze op Bronvermelding en meld een inhoudelijke fout via contact@biologieboost.nl.

Oefen verder met hormonen

Herhaal de kernbegrippen met flitskaarten en pas de redeneringen toe in examenopgaven.

Naar de oefeningen